Volgens de krant heb ik, zonder dat ik daar erg in had, geleden aan genderdisappointment.  Oké, ik vond het wel eens jammer dat ik geen man was.  Omdat in mijn jeugd veel leuke dingen voorbehouden waren aan mannen. Dat wordt er echter niet bedoeld met genderdisappointment; door het Engels klinkt het meteen als een zware geestelijke aandoening. Het is de benaming voor de teleurstelling van zwangere vrouwen, als het (toekomstige) kind niet het gewenste jongetje of meisje is.

Euforie na ‘teleurstelling’

Ik denk terug aan de euforie waarmee ik mijn tweede kind verwelkomde.  “Dankjewel, dankjewel, ik heb een zoon!” Alsof het een voorstelling betrof, zo erkentelijk was ik de verloskundige, de kraamhulp en mijn man voor de geboorte van mijn zoon. Misschien snappen de volgende generaties mijn emoties beter als ik uitleg dat het geslacht van de baby ruim 30 jaar geleden nog een verrassing was bij de geboorte. Mijn blijheid was des te groter omdat ik bij mijn eerste kind, een dochter, al gehoopt had op een zoon. Moderne tijden, dus ik snap sinds kort dat ik na haar geboorte even geleden heb aan genderdisappointment.

3 meisjes maar geen genderdisappointment

Waarom wilde ik eigenlijk liever een zoon? Ik kan alleen maar gissen naar mijn zielenroerselen. In het artikel in de Volkskrant komt een vrouw aan het woord die een moeilijke broer heeft gehad en bang was dat ze een even moeilijke zoon zou krijgen. Die snap ik. Maar ik ben opgegroeid als laatste en derde dochter en heb buiten de gebruikelijke kinderruzies met mijn zussen een gelukkige jeugd beleefd. Die drie meisjes hebben overigens wel genderdisappointment voorkomen bij mijn vader. Want op gezette tijden vertelde hij dat hij zo blij was met ons. Met een zoon had hij moeten ravotten en sporten en nu was hij van die verplichting ontheven.

Schoonvader wilde ‘stamhouder’

Hoe anders was de stemming bij mijn schoonfamilie. Mijn schoonvader had zijn zinnen gezet op een ‘stamhouder’ zoals hij zei. En dat terwijl hij een naam droeg die toch ruimschoots vertegenwoordigd is in Nederland. Ik kreeg voor de ‘grap’ een rammelaar van hem cadeau, terwijl ik zelf vooral met mijn eigen -jonge- leven bezig was.  Mijn echtgenoot verwoordde zijn kinderwens met het argument dat hij ‘nog met zijn zoon wilde kunnen voetballen’.  Ik wilde gewoon een kind en toch was ook mijn verwachting dat ik een zoon zou krijgen. Misschien gunde ik de baby wel het beste in het leven? En was ik er, zwemmend door de woeste emancipatiegolven van de jaren ’70 en ‘80, onbewust van overtuigd dat dat als man beter zou lukken.

Een vlaag van genderdisappointment

Het woord genderdisappointment kende ik niet in 1983 maar het gevoel wat daarbij hoort, ervoer ik wel toen ik de boreling naast me zag. “Het is een meisje en ze kijkt ook nog boos naar me”, was mijn eerste reactie. Het arme kind had het de laatste momenten benauwd gehad en was blauw aangelopen geboren. En moeder natuur heeft haar gezegend, met een stel ogen die in welke stemming dan ook boekdelen spreken.

Zielsgelukkig met dochters

Opgegroeid met Zwitsalplaatjes vol onvervalst moedergeluk, was mijn kraamtijd een mengeling van emoties. Fijn dus dat er voor de generaties na mij nu social media zijn, waar je je gevoelens die niet passen in een roze wolk kunt delen. Ook al zou ik het nooit genderdisappointment noemen. Alleen al omdat het klinkt alsof het nooit meer overgaat. Want tussen mij en mijn eerste kind kwam het al snel goed. En uiteindelijk was ik zielsgelukkig dat ik na mijn zoon zelfs nog een twééde dochter kreeg.