Sinds de eeuwwisseling heeft een nieuwe vorm van psychotherapie aan populariteit gewonnen. De Duitser Bert Hellinger ontwikkelde de zogenaamde systeem- of familieopstelling. In deze therapie brengt iemand een vraagstuk in bij een groep mensen die begrippen of familieleden verbeelden. Journalist Marlies Mielekamp had wel een vraag die ze op deze manier wilde voorleggen….Een verslag van haar ervaring.

Hoe kan ik beter met mijn ziekte omgaan?

We zitten met zijn twaalven in een kring: begeleider, Mieke Godding, twee mensen die een vraag hebben die ze graag beantwoord zien en negen representanten. Vóór mij kwam de eerste vragensteller aan bod, dat was fijn, want zo kon ik zien hoe het eraan toeging. Dan vraagt Mieke wat mijn vraag is; ik leg uit dat ik bijna 2 jaar ziek ben en daardoor soms veel pijn heb en erg moe ben. Mijn vraag is hoe ik daar beter mee kan omgaan en niet steeds opstandig word als ik een periode van ziek zijn ervaar.

De binding, de ordening en de balans

Mieke had me van tevoren al uitgelegd dat drie dingen belangrijk zijn bij familie-opstellingen: de binding, de ordening en de balans in geven en nemen. De binding heeft te maken met de plek die je hebt in je familie en hoe zaken die verzwegen worden iemand – of iemand anders binnen het gezin – het lastig kunnen maken in het latere leven.

Nieuwe partner, andere ordening

De ordening is de plaats binnen een familie: ouders staan boven kinderen, grootouders daar weer boven en bij een relatie is de partner belangrijker dan de kinderen. Komt er een nieuwe partner dan verschuift het, de nieuwe partner krijgt dan de tweede plek en de kinderen de eerste. Dat zie je ook vaak: de ouder vindt het vaak moeilijk als de nieuwe partner iets negatiefs over de kinderen zegt. De balans in geven en nemen in een familie moet evenredig zijn, anders heeft degene die altijd moet nemen een ‘schuld’. Meestal breekt diegene die altijd moet nemen de relatie af… Hij of zij moet ook de kans krijgen te geven.

Vervangkind heelt

Als ze vertelt over het ‘vervangkind ’dat de weg die het eerste gestorven kind aflegde, vaak heelt, moet ik aan mijn moeder denken. Zij is genoemd naar haar zusje die op 16-jarige leeftijd stierf aan hersenvliesontsteking; ook mijn moeder kreeg toen ze twee jaar was die ziekte, maar overleefde. Dankzij de borstvoeding die mijn oma nog gaf, zei de huisarts.

Mijn ziekte zegt: ’Ik heb het goed met je voor’

Iemand verbeeldt mijn ziekte, een ander mijzelf.

In mijn geval spreken we niet van een familie-opstelling, maar van een systeemopstelling. Mieke stelt voor een representant te zoeken die mij gaat verbeelden en iemand die mijn ziekte representeert en die op te stellen. Ik zoek eerst iemand die mijn ziekte wil zijn. ‘Dat zegt al veel’, zegt Mieke, ‘dat je eerst je ziekte opstelt.’ Een van de representanten loopt met krukken en juist zij lijkt me ideaal om ‘ziekte’ te zijn. Ik zet haar met het gezicht naar mij toe op een stoel. Diegene die mij vertegenwoordigt zet ik er tegenover. Er ontspint zich een gesprek tussen degene die mij speelt en mijn ziekte en de eerste gaat steeds verder van de ziekte weg staan; zij voelt zich erdoor bedreigd en dat begrijp ik volkomen! Ook ik voel mijn ziekte als een bedreiging. Maar mijn ‘ziekte’ zegt steeds: ‘ik heb het goed met je voor’.

Het doet me goed als ik afleiding heb

Om de impasse te doorbreken stelt Mieke mij de vraag wat ik het ergst vind aan mijn ziekte. Ik antwoord: de beperkingen die het me oplegt. Ze vraagt ook wat me daarbij helpt. Na even nadenken, weet ik: ‘Afleiding.’ Dat ervoer ik de week ervoor toen ik een dagje met mijn man in Maastricht was. Ook al moet ik de dagen erna vaak met een tergende vermoeidheid bekopen, het doet me goed even niet aan mijn ziekte te denken

Beperking te dicht bij mijn ziekte

Ik zoek weer twee personen uit de kring die deze twee dingen representeren. De beperkingen stelt ik vlak naast de ziekte op, de afleiding naast ‘mijzelf’. Er volgt weer een gesprek waarin ‘ziekte’ aangeeft dat ze het niet fijn vindt dat de beperkingen zo dicht bij haar staan. ‘Beperkingen’ neemt steeds meer afstand, terwijl ‘afleiding’ juist steeds dichter bij degene die mij representeert komt staan en op een gegeven moment zelfs zijn arm om haar heen slaat. Het geeft mij een warm gevoel…

Ik voel de tranen in mijn ogen

Op dat moment vraagt Mieke of ik op de plaats van mijn representante wil gaan staan. ‘Ziekte’ vertelt dan dat het leven met beperkingen niet meevalt, maar herhaalt: ‘ik ben je goed gezind.’ We kijken elkaar aan en ik voel tranen in mijn ogen schieten. Bijna als vanzelfsprekend loop ik naar ‘ziekte’ toe, pak haar beide handen en ze herhaalt haar mantra nog eens. Dan loop ik naar beperkingen toe en pak ook haar beide handen waardoor ik me als het ware neerleg bij de beperkingen die ‘ziekte’ me brengt. Daarna sluit ik af door de representanten naar hun plaats terug te brengen en te bedanken voor de rol die ze speelden. Gezamenlijk sluiten we af in de kring door elkaar de handen te geven waarbij de ene hand ‘geeft’ de andere ‘neemt’ (handpalm naar boven en naar onder).

Ik ga op zoek naar oplossingen

De dagen erna denk ik nog vaak aan het moment waarop ik als het ware ‘ziekte’ accepteerde. En ik ga op zoek naar oplossingen die me helpen met mijn ziekte om te gaan. Daarover een volgende keer meer!

Voor meer informatie over familieopstellingen:www.psyned.nl/familieopstelling

Meer van Marlies

Marlies schreef o.a. ook verhalen over de hulp aan haar moeder, haar levensstijl na het behalen van de pensioenleeftijd en de wachtlijsten in de zorg.